Sanne ontvangt ons in haar werkkamer met een kop thee en een berg leerlingdossiers op haar bureau. Aan de muur hangt een uitgeknipte tekening van een leerling: een glimlachend mannetje met een rugzak vol boeken en daarnaast in groot kinderhandschrift ‘dankjewel’. ‘Die hangt hier al drie jaar,’ zegt ze. ‘Op moeilijke dagen kijk ik daar even naar.’
Sanne is pedagoog en remedial teacher. Ze werkt al acht jaar bij Huiswerkinstituut en is voor veel ouders het eerste aanspreekpunt als hun kind écht vastloopt. We spraken haar over wat ze ziet veranderen, wat ze nooit zou veranderen en wat haar werk eigenlijk zo bijzonder maakt.
Wat valt je op bij leerlingen die vastlopen?
‘Negen van de tien keer is het niet dat ze de stof niet snappen. Het is dat ze het vertrouwen kwijt zijn. Een leerling die drie keer een onvoldoende haalt voor wiskunde, gaat geloven dat hij of zij gewoon dom is in wiskunde. Dat verhaal nestelt zich, en daarna gaat elke nieuwe toets met die overtuiging in het achterhoofd.’
‘Mijn werk begint dus zelden met sommen of teksten. Het begint met een gesprek. Wat denk je over jezelf? Wanneer ging het wel goed? Wat zou je willen bereiken? Pas als ik dat weet, kan ik bepalen waar we beginnen — en dat is meestal niet bij de stof, maar bij het zelfbeeld.’
En de rol van ouders?
‘Ouders willen helpen, en dat is mooi. Maar druk werkt averechts. Ik vraag ouders vaak om even een stap terug te doen, dan ontstaat er ruimte voor het kind om weer initiatief te pakken. Dat klinkt makkelijker dan het is — als ouder voelt het tegennatuurlijk om áchter je kind te gaan staan terwijl je het zo graag wilt zien lukken.’
‘Wat ik ouders meegeef: vertrouw op het proces. Niet elk kind groeit lineair. Soms zien we drie maanden lang weinig zichtbare progressie en dan opeens een grote sprong. De truc is om in die plateaufase niet te gaan duwen, maar te blijven steunen. Een kind dat zich gezien voelt, gaat uiteindelijk altijd vooruit.’
Heb je een voorbeeld?
‘Een paar jaar geleden kwam er een meisje binnen, brugklas, die letterlijk niet meer op school wilde komen. Ze huilde elke ochtend. Mama en papa waren wanhopig, hadden alles geprobeerd. Wij zijn niet begonnen met huiswerk. We hebben drie weken alleen maar gekletst, gewandeld in het park, samen kleine puzzeltjes opgelost.’
‘In die drie weken bouwde ze vertrouwen op met mij en met de plek. Toen we begonnen met haar boeken, deed ze dat omdat ze het zelf wilde. Niet omdat het moest. Vandaag de dag zit ze in vwo 5 en haalt mooie cijfers. Maar belangrijker: ze heeft een verhaal over zichzelf dat klopt. Ze gelooft dat ze het kan, en dat is de basis voor alles.’
Wat zou je nooit veranderen aan jullie aanpak?
‘De rust. Wij gaan nooit haasten. We zijn geen bijspijkerfabriek waar je in zes weken een onvoldoende moet wegwerken. Soms duurt iets lang. Soms moet een leerling eerst leren hoe je überhaupt moet leren, voordat de stof landt. Die ruimte gunnen we onszelf, en dat geven we ook aan ouders mee.’
‘En de relatie. Begeleiding werkt alleen als de leerling zich veilig voelt bij zijn of haar begeleider. Daarom besteden we veel tijd aan de match. Een briljante begeleider die niet bij een kind past, helpt minder dan een gemiddelde begeleider met wie het wel klikt. Dat principe verlaten we nooit.’
Wat heb je geleerd in acht jaar?
‘Geduld. Ik dacht dat ik geduldig was toen ik begon. Achteraf was dat eerder een soort wachten. Echt geduld is actief — het is geloof in iemand uitspreken, ook als die persoon het zelf nog niet voelt. Dat heeft tijd nodig om te leren.’
‘En dat ik zelf veel minder hoef te zeggen dan ik dacht. Vroeger wilde ik alle antwoorden geven. Nu stel ik vooral vragen. De beste sessies zijn die waarin de leerling aan het einde zegt: ik wist het eigenlijk al, ik moest het alleen even hardop zeggen.’
Tot slot — wat wil je ouders meegeven?
‘Wees niet bang om hulp te vragen. Veel ouders wachten te lang, omdat ze hopen dat het ‘vanzelf’ goed komt. Vroeg ingrijpen is bijna altijd makkelijker en sneller dan laat. Een gesprek is gratis en vrijblijvend. Soms zeggen we ook gewoon: jullie hebben ons niet nodig, doe dit en dit thuis. Dat is even goed.’
‘En geloof in je kind. Echt geloven. Niet uit pedagogische plicht, maar omdat het verschil maakt. Een kind voelt het verschil tussen ‘ik vertrouw je’ en ‘ik hoop maar dat het lukt’. Dat eerste werkt.’